
HELP DEZE SITE TE OVERLEVEN!
Wist jij dat voor niets de zon opgaat?
Wist jij dat het dus veel geld kost om deze prachtige site draaiende te houden?
Wist jij dat er momenteel 3087 leden zijn?
Wist jij dat er maar 137 leden meebetalen aan deze site?
Wist jij dat dit zo NIET LANGER kan?
Wist jij dat de site zal moeten stoppen als daar geen verandering in komt?
Wist jij dat je al voor 1,25 euro per maand meehelpt de site te redden?
WIST IK MAAR WAAROM JIJ NOG AARZELT!
TOT NU TOE OPGEHAALD VOOR DE SITE:

Een interview naar aanleiding van de roman Joseph Johannes Jacobus
‘Alsof je het zelf hebt meegemaakt’
Schrijfster wekt hoofdpersoon tot leven
Lezen in een boek, maar het verhaal beleven als een film. Dát is de kracht van schrijfster Ingrid Levens, die haar lezers laat meekijken over de schouders van de hoofdpersoon. De 57-jarige geboren Eindhovense neemt in haar boek, Joseph Johannes Jacobus, iedereen mee naar de eerste helft van de twintigste eeuw. De titel klinkt weinig spectaculair, maar al gauw blijkt het tegendeel waar te zijn. De intrigerende hoofdpersoon Joseph levert continue strijd. Strijd met zichzelf, strijd in de zoektocht naar zijn verwekker, strijd om zijn Joodse vriendin tijdens de oorlogsjaren te behoeden voor deportatie en daarnaast nog eens strijd om alles te verwerken. Tachtig procent van het ruim vierhonderd bladzijden tellende boek is in werkelijkheid gebeurd. De recensies van de proeflezers liegen er niet om: “Het is alsof je het zelf hebt meegemaakt.”
Joseph Johannes Jacobus, de naam van haar vader, gaf Ingrid inspiratie voor haar volksroman, waarin tachtig procent de keiharde werkelijkheid blijkt te zijn. Het boek begon, net als alle andere verhalen die de schrijfster uit haar vingers toverde, als een kortverhaal. Toen zij dit verhaal voorlegde aan de leden van de Verhalensite, haalden die haar over er nog wat hoofdstukken aan toe te voegen, hetgeen uiteindelijk resulteerde in een complete roman. Ingrid heeft zelf geen idee waar haar schrijftalent vandaan komt.
“Ik heb in de familie rondgekeken, maar er is niemand met deze gave. Daarna heb ik mezelf wijsgemaakt dat ik het van een geheimzinnige opa heb, die ik nooit heb gekend.”
Die geheimzinnige opa blijkt de zeeman uit het boek, een man die haar mateloos intrigeert.
“Ik schrijf al mijn hele leven. Ik schrijf omdat ik het van mezelf moet. Het is voor mij hetzelfde als ademhalen. Als ik iets meemaak of iets op straat zie, dan moet ik dat op papier zetten”, legt de in Den Bosch wonende schrijfster uit.
“Na het overlijden van mijn vader had ik een banjo, een onbekende grootvader en duizenden negatieven als aanknopingspunt. Eén voor één legde ik de negatieven onder de scanner om te kijken of ik iets belangrijks vond, iets waarmee ik het leven van Joseph in kaart kon brengen.”
De echte banjo uit het verhaal hangt nog altijd aan de muur in Ingrids huis, naast een foto van een lachende jongeman met grijze ogen.
“Ik zat echter met de vraag hoe die banjo in onze familie is gekomen. Ik was er zo door geďntrigeerd dat het me niet meer losliet.”
Per ongeluk kwam Ingrid bij een antiquair het boek ‘75 jaar geschiedenis van het RKG tot Grote Beek’ tegen, dat ze deels als bron gebruikte.
“In dat boek werd de geschiedenis van het Rijkskrankzinnigengesticht in Eindhoven beschreven. Daar heeft mijn vader erg lang gewerkt. Door het lezen van dat boek, weet ik dat hij afschuwelijke dingen heeft meegemaakt. Mijn vader heeft mij nooit iets verteld over zijn werk, of over de oorlog die hem bijna klein kreeg, iets wat ik nu heel goed begrijp.”
Het verhaal speelt zich af in de periode van 1903 tot 1951. Ingrid licht een tipje van de sluier op: “Joseph was een buitenechtelijk kind van een Tilburgse moeder en een zeeman die met de noorderzon vertrok. Vier jaar later, toen zijn moeder nét getrouwd was met een andere man en met de kleine Joseph aan de havens in Rotterdam rondhing, ontmoette ze de zeeman opnieuw. De man liet Joseph op zijn banjo passen, terwijl hij met diens moeder in een havenkroeg verdween. Urenlang zat het kind geduldig met het instrument in een portiek, tot zijn moeder met de zeeman uit het café kwam, de kade afliep en uit hun beider leven verdween. Toen zijn moeder korte tijd later opnieuw zwanger bleek te zijn van haar grote liefde, vertrok het gezin uit Rotterdam om in Tilburg een nieuw leven op te bouwen. De tijd verstreek en toen Joseph twaalf jaar werd, moest hij gaan werken om bij te dragen in de kosten. De jongen ging in de leer bij een kunstschilder met een zwakzinnige zoon. Door middel van een wonderlijk, zelfgemaakt muziekinstrument kreeg Joseph het voor elkaar de liefde van de zwakzinnige Anton te winnen. Op dat moment besloot hij om in de krankzinnigenzorg te gaan werken.”
Ontroerend
Het verhaal rolt zich als een film voor mijn ogen af, als Ingrid verder vertelt:
“In april 1928 vertrok Joseph op de fiets van Tilburg naar Eindhoven om zich aan te melden bij het Rijkskrankzinnigengesticht. Daar kreeg hij een witte jas en een paar rubberen handschoenen uitgereikt. Hij studeerde in dienst en op kosten van het RKG en wist zich op te werken van strontruimer tot leerling-verpleger en vervolgens tot hoofdverpleger. Tijdens zijn studie leerde hij het Joodse meisje Reina kennen, op wie hij tot over zijn oren verliefd werd. Reina werkte bij Philips, maar toen ze daar ontlagen werd, solliciteerde ze bij het RKG omdat daar altijd werk was. Korte tijd later brak de oorlog uit en werd Reina verplicht zich te melden bij Kamp Vught. Dat weigerde ze en met behulp van de geneesheer- directeur van het gesticht dook ze onder op de afdeling voor demente vrouwen.”
Ingrid vertelt met zachte stem verder over een andere waargebeurde passage in het boek: “In de oorlogsjaren maakte Joseph veel gruwelijke dingen mee. Zo eisten de Duitsers op een dag drie Joodse krankzinnige patiënten op, die in Eindhoven voor rekening van de gemeente Apeldoorn werden verpleegd. Met zijn pupillen in Apeldoorn aangekomen, werd hij door de Duitsers verplicht te helpen bij de beestachtige ontruiming van ‘Het Apeldoornsche Bosch’, waarbij elfhonderd joden naar buiten werden geslagen om vervolgens te worden gedeporteerd. Helemaal kapot van deze ontruiming kwam de krankzinnigenverpleger in Eindhoven terug.”
Met tranen in haar ogen licht de schrijfster een andere passage uit het boek toe:
“De Duitser, Ferdinand Hugo Aus der Fünten, verantwoordelijk voor de deportatie van Joden uit Nederland naar concentratie- en vernietigingskampen, kwam enkele weken na de ontruiming van ‘Het Apeldoornsche Bosch’ hoogstpersoonlijk naar het Eindhovense RKG. Hij eiste de 22 Joodse patiënten op die in het gesticht aanwezig waren, maar stuitte op verzet van het verplegend personeel. Na enige strubbelingen werden 21 van hen een dag later alsnog gedeporteerd. Joseph wist, met gevaar voor eigen leven, één van hen uit handen van de Duitsers te houden.”
Het boek Joseph Johannes Jacobus is geen boek over de Tweede Wereldoorlog, maar omdat het wel een periode in het leven van de hoofdpersoon is, kon Ingrid er niet omheen.
“De oorlogsjaren spelen een rol in het boek, maar worden vanuit een ander perspectief bekeken dan je doorgaans ziet. Daarnaast gebeurt er veel meer in deze volksroman”, aldus Ingrid, die zo filmisch schrijft dat je het idee krijgt over de schouder van de hoofdpersonen mee te kijken. Ze schrijft eenvoudig en gebruikt weinig moeilijke woorden.
“Het is echt voor een breed publiek. De honderd proeflezers bestonden onder anderen uit tienermeisjes, huisvrouwen en universitair opgeleide mensen. Iedereen leefde mee met Joseph en iedereen bleef met een krop in de keel achter”, besluit de schrijfster.
Alex Bosmans
Correspondent Reeshof journaal.