10-09-2010
13:36

(247,0,5)
19 leden online.
Tekst I?

Waar het licht de aarde raakt
In categorie Sprookjes (Verhaal). Geschreven door DawRei op 26-11-2009 om 15:18.
Dit werk werd reeds 317 maal bekeken, en heeft 17 reactie(s).

De plaats waar het licht de aarde raakt

Ma-linn-a
Ki-nu-taa-muun
Irr-u-sill ua-ta-muun

(Come with me
I'll take you now
To a place that you fear )

- Phil Collins, Brother Bear

Ze noemden me Zij Zwijgt.
Van mij werd gezegd dat de walvis mijn stem met zich meegenomen had. Niemand wist waarom. De Angakkuq keek naar het ivoren beeldje in mijn mond en vroeg zich af waarom een zuigeling niet luidkeels huilde door de luide trommelslagen en de schelle zangstemmen rondom haar wieg. Ik keek de wereld in met ogen als doorzichtig ijs. Ik zag niet mijn moeder, die zelf ogen had als natte zeehondenpels. Ik zag alleen haar adem, die in en uit haar rees als een kleine wolk, en bij elke ademteug zwakker werd.
Hoewel een walvisbeeldje in de mond van een boreling wordt gestopt in de hoop dat hij zal uitgroeien tot een voorspoedig jager, stal het been alle geluid uit mijn keel. Misschien zat de anirniq, de adem, van het dier nog aan het bot vast. Heel soms hoorde ik ze zingen. Dat was als ze boven de spiegel van de zee uitgleden en weer onderdoken. Dan geloofde ik dat ook ik aan het zingen was, en als ik mijn mond opende hoefde ik alleen maar uit te ademen om te weten dat de walvissen riepen wat ik niet kon.

Mijn moeder ging dood. De vrouw die mij in haar familie opnam noemde ik in gedachten Aga, want van mijn eigen moeder herinnerde ik me niets, behalve haar ziel die langzaam uit haar was weggegleden terwijl ik net tot leven kwam. De Angakkuq bleef bij me komen en praatte tegen me. Wie niet kan spreken, leert luisteren; dus luisterde ik terwijl ik opgroeide elke dag naar wat hij me vertelde. Door te zwijgen leerde ik veel.
Allereerst waren er de unipkaaqs; de verhalen die plaatsvonden in het Destijds, een verleden dat in duisternis is opgegaan maar waarin onze landen zo diep verzonken en geklonken liggen als de ijsplaten van de Kust Die Niet Drijft. Ik leerde dat we ons thuis Nunatsiuavut noemden, om tegen elkaar te zeggen dit ons mooie land was, maar dat de hardheid en willekeur van het leven ons voorturend in angst lieten leven van onzichtbare krachten. Ik was stil en luisterde naar de verhalen over Sedna onder de zee, en kon niet zeggen hoe bang ik was voor haar handen die geen vingers hadden. Samen met de Angakkuq keek ik naar het zwenkende noorderlicht dat zich over de spanwijdte van de aarde leek uit te strekken en ineens kon verdwijnen. Hij zei dat het toortsen waren in de handen van de grote geesten. Hun lichten waren de leidraad voor de overleden zielen en voerden hen mee naar het Land Waar Het Licht Is. Als je stil bent hoor je het fluiten van de stemmen van de doden. De mensen die spreken, kunnen niet luisteren. Zij die gegaan zijn fluisteren zo naar de volken op aarde, maar ik kon niemand ooit vertellen wat ik hen hoorde zeggen. Alleen de Angakkuq vermoedde het misschien.

De laatste les die ik van hem leerde was de dood. Drie dagen lang bedekten we zijn oude lijf met rendierhuid. Ze lieten mij zijn neus en mond afdekken, zodat de anirniq die nog in hem zat afscheid kon nemen van zijn lichaam. Daarna lieten we hem gaan, terwijl zijn lichaam begraven werd onder een cairn van witte stenen op het ijs. Ik was zestien; te jong om Angakkuq te worden, maar ik denk dat de mensen hielden van het meisje dat nooit sprak en altijd luisterde.

Ik weet niet wanneer we merkten dat er iets mis was. Misschien voelde ik het al toen het pasgeboren kind van een jonge man en vrouw zich afdraaide van het benen walvisbeeldje. Ik probeerde het in zijn mond te stoppen, maar het jongetje draaide zijn hoofd de andere kant op en duwde het steeds met zijn tong naar buiten. Ik begreep niet waarom hij weigerde, maar het maakte me bang. Om hem te verzoenen met de geesten drukte ik het gesneden ivoor daarom maar tegen zijn lippen aan. De baby pruttelde slijm naar buiten. Snel trok ik het beeldje terug om het af te vegen aan mijn mouw. Ik was bang dat het kind een kwade geest aan zich had, maar afgezien van dat ene moment gedroeg hij zich normaal; hij huilde zelfs harder dan een jonge hond door de luide trommels en liederen om hem heen. Nog enkele maanden bleef ik eraan denken. Daarna liet ik het los.
Maar er waren doden. Onze jagers kwamen terug met nieuws dat ze een aangespoelde walvis hadden gevonden. Het grote, spekkige lijf was onaangeroerd op een diepe hap na. Daar waren vlees, vet, spieren en botten verdwenen. Ze zeiden dat het dier al dagen dood moest zijn. In gebaren die ze hadden leren begrijpen, stuurde ik hen terug, maar het in stukken snijden van een hele walvis is niet gemakkelijk. Het vlees was al bedorven; als we daarvan aten, zou het gaan bijten in onze buik. Terwijl de speklappen en de zware botten werden binnengebracht op sledes, vroeg ik me af of het niet al te laat was om zijn geschonden ziel te kalmeren.
Het grootste gevaar van ons bestaan is dat onze voeding volledig bestaat uit zielen. Om te overleven doden wij beesten en soms nemen we planten. Hoewel wij delen van hun lichaam tot ons nemen is hun geest vrij om wraak te nemen; daarom moet altijd alles in dankbaarheid gebruikt worden: beenderen en vlees en spek, ingewanden en huid. Ik sloeg een rond gat in de grote schedel; toch wist ik dat de ziel niet meer zou kunnen ontsnappen. We waren verdrietig.

Het seizoen van duisternis bedekte heel Nunatsiuavut; het waren de dagen zonder de zon. Alleen het noorderlicht spoelde als een golf over de uitgestrekte ijsvlakten en de zee. Het hing deinend boven de iglo’s en ik hoorde het vele fluiten, het fluisteren, het mompelen van de doden. Voor het eerst maakte het me bang.
Na de walvis werden er meer dieren gevonden. Zeehonden, vissen, rendieren. ’s Nachts hoorden we allemaal vreemde geluiden door de duisternis dwalen: gekrijs en gekreun; een gefluister zonder stem en zonder woorden. We maakten vuren rondom onze iglo’s maar vonden afgekloven botten en resten gescheurd vlees vlak buiten de lichtcirkel. De jagers dachten aan een ijsbeer of een grote wolf. Ze trokken er lange dagen op uit om hem te vinden. Maar drie van hen kwamen levend terug. Of ze de jager gevonden hadden – ze zeiden, dat ze hem nooit hoopten te vinden, maar dat ze het toch gezien hadden: iets groots en gedrochtelijks dat voorovergebogen als een gebochelde aan het kadaver van een dier had staan rukken. Ze hadden hem gezien als silhouet in de duisternis. Een moment was het klein, als een jonge hond. Het volgende moment was het verrezen als een reus van lang, lang geleden in het Destijds.

De mensen keken naar mij, hun Angakkuq. Buiten de gloed van onze vuren terroriseerde een kwade geest. De Botknauwer, zeiden ze. Was het mijn schuld? Ik onderzocht alle rituelen, maar wist dat ik geen fouten had gemaakt. Ik verloor mijn slaap, lag wakker in de angst dat de Botknauwer snel een kind uit ons midden zou sleuren. Soms werden sledehonden buiten het vuur gevonden. Al hun zielen werden verkwist en dwaalden rond als onrustige kinderen. Als dit monster, deze tuurngaq, ontstaan was door onverzoende zielen, hoe erg zou het dan worden als het door bleef gaan met schransen? Al het wild verdween uit onze gebieden. Als de jagers er al op uit durfden te gaan, kwamen ze met lege handen terug. We leden honger en zorgen.
Een paar maal dwaalde een kind per ongeluk buiten de vuurrand. Soms kon het op tijd teruggehaald worden, als we met fakkels en trommels naar buiten gingen en hem snel vonden. Meestal was er alleen nog een opengescheurd lichaampje over dat met zijn gezicht in de sneeuw voorover lag. We konden de slachtoffers alleen nog maar begraven volgens de juiste voorschriften; al snel hadden we nauwelijks genoeg rendierhuid om alle lijkjes te bedekken. Dan was het een schrale troost dat ze zo klein waren, en dat hun ziel gemakkelijk terug kon zweven naar de brug naar het Land Waar Het Licht Is. Op een nacht ging ik alleen naar buiten, zonder af te dwalen. De sneeuw was lichtgevend door de vlammen. Alles leek zo kalm. De Botknauwer was misschien niet in de buurt. Ik huiverde bij de gedachte aan de eindeloze duistere sneeuwvlakte, waar hij ergens doolde en vrat – opgejaagd door de onrust waardoor hij was geboren en aangevuurd door de nieuwe zielen die hij opslokte. Hoe kon zo’n monster gekalmeerd worden?
Plotseling schoot het noorderlicht over me heen. De groene slang krioelde langs de hemel. Ik duwde de kap van mijn anoraq naar beneden en legde mijn hoofd ver achterover in mijn nek. Ergens ver weg werd de stilte doorbroken door een eenzame kreet van een walvis. Ik hoopte dat hij ver van de kust was, zodat de Botknauwer hem niet kon grijpen. De walviszang was mijn verloren stem; ik tuitte mijn lippen om omhoog te fluiten.
Sommigen van de Inuit geloven dat het fluiten naar het noorderlicht gevaarlijk is; snel als een vogel die een vis uit de zee grijpt komt het naar beneden om je te onthoofden. Ik had niet eerder naar boven gefloten. Ik hoopte dat de Angakkuq die mij alles had geleerd zich niet op mij zou storten. Zou zijn ziel mij nog herkennen?
Hij kwam, maar ik zag hem niet. Er was alleen een beweging in het licht. Het maakte zich los van de anderen, zonder te rusten in zijn dans.
Zij Zwijgt
Ik keek naar boven. Ver weg hield het gezang aan; langzaam, gerekt, laag en hoog tegelijk. Ik zweeg.
Je stem weerklinkt op zee en over het ijs maar er is niemand die gehoor kan geven
Als zelfs hij niet kon vertellen wat er gedaan moest worden, hoe kon ik dan de Angakkuq voor mijn mensen zijn?
Sedna heeft haar dieren teruggetrokken ver van Nunatsiuavut ze zal hen niet terug laten komen tot de tuurngaq de zielen tot rust brengt maar wie kan de eenzame Sedna sussen die onder de zee raast en stormt en haar haren in de war brengt in haar drift?
Zij Zwijgt

Allereerst waren er de unipkaaqs; de verhalen die plaatsvonden in het Destijds, een verleden dat in duisternis is opgegaan maar waarin onze landen zo diep verzonken en geklonken liggen als de ijsplaten van de Kust Die Niet Drijft. Lag daar, in die duisternis, het antwoord? Ik ging terug naar binnen, waar ik in mijn eentje midden in de iglo ging zitten met de kleine drum op schoot. Ik was zo bang dat ik niet kon ademen; toch moest het. Terwijl het ritme van mijn vingers tegen de gespannen zeehondenpels een eigen leven kreeg, dacht ik aan mijn moeder. Haar ziel was lang geleden van me weggegaan. Het benen walvisbeeldje dat toen in mijn mond had gelegen, hing aan een koord om mijn nek, verstopt onder alle kleren; van bot tot huid en bloed. Als de adem van de walvis aan het been was blijven hechten, zou het me dan nu beschermen?
Uiteindelijk hoorde ik ze. Het was zacht, als de wind die van ver weg over de ijsvlakte aan komt waaien. Laag en hoog, op en neer, deinend zoals het poollicht. Een melodie die geen Inuuk kan maken. Ze spraken tot me; ik sloeg terug met mijn trommel. Toen tilden ze me op. De zwaartekracht viel van me weg; ik werd een sneeuwvlok die nog niet is geland. De walvis nam me mee over het water, de diepten van de ijszee in. Ademhalen was niet nodig; zwemmen evenmin. Het water gleed langs en door mijn lichaam; toch hield ik me met spierloze vingers vast aan de brede, grauwe rug.
Het water begon te kolken. De walvis gleed dieper naar beneden. Al het licht verdween, ik hoorde zuchten zo diep en oud als de oceaan. Was dit de adem van Sedna? Ik gleed van de walvis weg. Hij liet me alleen terwijl ik dieper zonk. Misschien was hij bang om verder te gaan, misschien mocht of kon hij niet dichterbij komen. Onder mij brak licht door. Geen daglicht, niet het licht van de levenden. Het rees op van een bevroren woestenij als een omgekeerde maan: bleek als een schedelveld, koud zoals sneeuw waar geen sterren op schijnen. Was dit Adlivun, Zij Die Onder Ons Zijn, de woonplaats van de geesten? In de oude verhalen was dit een plek van vrede of gevaar; nooit van somberte.

In het grote midden was een wuivend bos, als zeewier. Het deinde om een enkele grote gestalte. Haar borst rees en viel langzaam in traag ademhalen. De watermassa om haar heen sloeg heen en weer met het geluid van donder en windvlagen. En echo’s – ze had alleen echo’s om zich mee te vergezellen.
Al haar haren die als een bos zeewier haar lichaam kransten, waren verstrengeld. Ik strekte me naar haar uit. O Sedna, grote waterkoningin, waarom is je land vervallen? Waar zijn zij die dansen in de diepten? De zeehonden, de walvissen, de geesten van alle zeewild?
IK HEB PIJN IK BEN ALLEEN AL MIJN KINDEREN LIJDEN; ZE ZIJN WEG – WEG, EN IK BEN ALLEEN IK HEB PIJN EN IK LIJD
Ik wilde vluchten voor het leed dat over me heen golfde. Zonder lichaam voelde ik me onbeschermd; hier was het domein van geesten en de geest van Sedna’s woede stortte uit over mijn hele wezen – ik had zelfs geen huid om het te weren. Maar haal je kinderen terug, eenzame Sedna van de zee! Hoe moeten wij leven zonder jouw genade; wij mensen bestaan alleen in jouw harmonie. Laat ons je kinderen weerzien!

NEE, NOOIT MEER ZIJ LEDEN EN VERLOREN HUN ZIELEN EN WERDEN ONRUSTIGE MONSTERS; IK STUURDE ZE WEG EN HOUD ZE BIJ JULLIE VANDAAN – DE MENSEN VERNIETIGEN HET LEVEN ZIJ BRAKEN DE BOTTEN ZIJ SCHONDEN MIJN REGELS WIJ STIERVEN EN LEDEN EN NU STERVEN JULLIE

O, Sedna, wat kunnen wij anders dan huilen bij jouw pijn, je woede? Kom, laat mij je haren ontwarren. Laat mij jouw gezelschap zijn nu al je kinderen uit Adlivun verwenen zijn.
Sedna deinde heen en weer als een eenzaam kind. Met mijn geestenvingers plukte ik aan de strengen die naar alle kanten wegvloeiden. Het viel niet mee om de enorme bos glad te strijken. Bestond er tijd in de onderwereld? Niemand had me dat ooit verteld, ook de vorige Angakkuq niet. Misschien had hij het ook niet geweten. Wij zullen allemaal sterven als jij je kinderen niet terugroept. Ik keek naar haar reusachtige handen. Het waren arme, stompe dingen, hulpeloos zonder vingers. Wij van de honger, jij van eenzaamheid.
Haar haren wuifden soepel om haar schouders nu ik ermee klaar was. Sedna’s borst ging langzamer op en neer.
Jullie noemen hem de Botknauwer
Ja. Het is een kwade geest; hij doodt ons allemaal.
Hij verzwelgt de zielen van zijn slachtoffers, hij voedt hen onrust en voedt zelf op hun beroering. Hij is een wezen van vele wezens. Hij is haat, woede. Hij is alles dat dood is maar niet kan sterven
Waar was zo’n wezen toch vandaan gekomen? Had hij zichzelf opgerezen uit de gekrochten van de zee? Waren we zolang blind geweest, hadden we hem niet gezien toen hij nog klein was, nog onvolgroeid? Wie van ons had Sedna’s regels geschonden, een dode gemaakt en de ziel beschadigd?
Zoals een mensenmoeder een wiegelied zingt, zo worden ze kalm. Mijn kinderen zijn verminkt in de tuurngaq. Eerst waren ze stralend, nu zijn ze zwart en verschrompeld. Wie kalmeert hen nu – ik kan hen niet meer bereiken! O, mijn kinderen! Mijn walvissen, mijn zeehonden, mijn walrussen, mijn wild van de zee! Allemaal zijn ze van me weggerukt
Ze was bedroefd. Ik dacht dat ik in tweeën zou breken als ik nog langer bij haar was. Haar pijn was te groot; het omspande mijn geest – ik was bang dat ik snel door Sedna verzwolgen zou worden zoals een drenkeling onder gaat in de golven en niet meer bovenkomt.
En daar, plotseling helder als het poollicht dat vanuit de duisternis opschiet, zag ik het antwoord. Sedna verdween, de ijsvlakte werd overspoeld door het water. Waar was mijn walvis die me veilig terug zou brengen? Er waren alleen grijze, verstikkende golven. Ze spoelden door me heen; toch voelde ik me verdrinkend; hoe hoger ik kwam, hoe kouder het werd. Ik zweefde alleen door de duisternis. Ging ik omhoog? Hing ik stil?
Toen kwam hij naar me terug, mijn walvis, mijn beschermer van de zee. Samen met hem kwam het licht terug en ik belandde hoestend en naar adem happend in mijn lichaam. Nog steeds roffelden mijn vingers tegen de trommel. Langzaam hield ik ermee op. Mijn vingers ontspanden zich terwijl ik naar ze keek. Vlees, huid, spieren; hoe hield ik van hen. Zelfs de stijfheid in mijn spieren was me dierbaar toen ik opstond. Het deed pijn maar ik wist dat ik leefde, dat ik kon voelen. Wanneer zou er in Nunatsiuavut een nieuwe Angakkuq geboren worden? Ik hoopte dat hij pas ter wereld zou komen in dit land tot rust was gekomen.

De kou ademde over me heen toen ik de warmte van de iglo verliet. Ik zag alle helderwitte woningen, nu verduistert door de nacht. Ik zag de cirkel van vlammen die als een beschermende spreuk om ons kamp lag. Ik hoorde gepiep van honden, die in deze donkerte warm binnen werden gehouden. Boven hen uit was alleen de wind. Hol, naargeestig – ik had alleen de wind om me mee te vergezellen.
Met moeite duwde ik mijn adem in en uit mijn lichaam. Zo had ik de adem van mijn moeder gezien. Zo had ik haar zien sterven.
Ik wou dat ik een lichtje bij me kon hebben. Al was het maar voor even, enkel de eerste paar minuten.
Buiten de kampvuren was de pool onverlicht en uitgestrekt. Wat was ik klein, wat was ik onvoorstelbaar breekbaar. Iedere stap die ik zette maakte een melodie in de sneeuw; geen voetstap klonk hetzelfde.
Bijna een uur liep ik te zoeken. Uiteindelijk hoorde ik niet langer de wind, noch mijn voeten in de sneeuw – slechts mijn ademhaling bleef over. Die ging te luid, te onregelmatig. Ik probeerde niet bang te zijn. Met trillende handen trok ik mijn wanten uit, liet ze vallen en liep eraan voorbij. Snel, voordat de kou mijn vingers onbewegelijk zou maken trok ik het leren koord onder mijn parka vandaan. De jaren hadden het witte been een gelige schaduw gegeven. O, walvis, dacht ik, als jij mijn stem blijft dragen ben ik misschien nooit echt weg. Ik klemde het kleine figuur tussen mijn vingers.
Ik wist dat hij kwam omdat ik plotseling een grotere eenzaamheid van het ijslandschap voelde. Er was geen pijn in mijn botten, niet in mijn spieren of huid. Alleen mijn hart verkrampte, maar het mocht nog niet ophouden met slaan! De adem wilde uit mijn lichaam vluchten, maar ik trok het terug, hield het vast in mijn buik.
Ik had gehoopt dat het noorderlicht boven me zou verschijnen, zodat ik de brug kon zien als ik stierf; de brug naar Het Land Waar Het Licht Is. Maar het bleef donker. Links hield ik het walvisbeeldje vast. Ik kon niet meer loslaten: nu had de koude echt mijn handen bevroren. Ik kon me ook niet verweren toen de grote tuurngaq over me heen kwam. Mijn ademhaling jaagde door mijn lijf maar ik stond stil. Nog even, en ik zou het laten gaan zoals een kind het touw van een vlieger loslaat. Mijn hart ging tekeer maar ik bleef staan. Nog even en het mocht stoppen, zoals de trommelaar zijn handen stillegt.
Ik voelde hen; voelde ze allemaal. Zwarter dan Sedna waren ze in hun verdriet, hun woede. Overweldigender was ook hun enorme honger naar verzoening, naar kalmte. Mijn wezen zou in hen verdrinken – het duurde vast nog maar even voordat ik verdween en uit zou doven – zo broos was de weerstand die ik nog had: zo dun als een enkele haar van een ijsbeer, doorzichtig als het vlies van een vissenhuid.
Mijn weg had me dicht bij de kust gebracht. Verder weg, veilig tussen de ijsschotsen, weerklonk de zang van een walvis; laag en hoog, treurig en troostend.
Ik zou geen onrustige geest worden. Ik zou niet vluchten. Als een vlieger steeg ik op toen ik het koord liet gaan; mijn adem verdween voor de laatste maal uit mijn lichaam. De trommel viel stil. Ik zag de tuurngaq. Ik voelde hem om me heen. En ik rekte me uit en opende mijn armen.
Alle zielen die erin opgesloten zaten; ik nam ze in me op zoals een moederschoot het ongeboren kind omhult. Ik spreidde me in de breedte en omhelsde hen: kind en dier en geest. Ze kwamen los in mij en schreeuwen, huilden, krijsten. Maar ik hield vast, bedekte al hun pijn totdat ze insliepen als een baby in zijn wieg.
Ik stierf in mij stierven zij
we werden geboren
zij zwegen ik zweeg en
kon hen horen

Ik was open als de lucht. Elk moment voelde als ademhalen. Het was niet koud. Zelfs de sneeuw niet. En om me heen schoot het als een pijl door de hemel, van horizon tot horizon:

Licht.


Ma-linn-a ki-nu-ta-muun uit Brother Bear, of met de letterlijke Engelse vertaling gezongen door Phil Collins.


Geschreven met ten minste drie wikipedia-pagina’s open met informatie over de Inuit, hun gebruiken en mythologien

Maar voor het geval er hier een Inuit-kenner onder ons is (je weet maar nooit ): dit verhaal is meer bedoeld als fantasie dan als historisch-cultureel-correct. Tuurngait (meervoudsvorm van tuurngaq; het zijn geesten die soms als helper optreden voor de sjamaan, de angakkuq, maar vaak ook kwaadaardig zijn) bestaan in hun mythologie, net als het idee dat alle levende wezens een ziel hebben die gelijk staat aan een mensenziel en dat het doden ervan die zielen loslaat om wraak te nemen, tenzij de juiste rituelen in acht worden genomen. De monster-Tuurngaq heb ik echter zelf verzonnen.

Sedna (of Sanna) is de belangrijkste godheid in de collectieve mythologieën van alle Inuitstammen. Dat een sjamaan in trance moet afreizen om haar haren te ontwarren is ook een bestaand idee. De rest is basically mijn eigen verzinselheid.


Leestips:
Vorig od. voorpg.:kinderen en accidentjeS
Volgend od. voorpg.:Wolvenhart 53 (i.s.m. Alina)
Vorig vd. auteur:Zwaartekracht
Volgend vd. auteur:De Maanuil

zeer graag gelezen, maar misschien had het gemakkelijker geweest om in twee deeltjes op te sturen. Hoewel ik wel kan begrijpen dat één geheel mooier overkomt.

groetjes!

DawRei - 27-11-2009 16:48
Zo lang is 't nou ook weer niet, toch Bedankt voor het lezen!
Arachne - 27-11-2009 16:51
nee voor mij maakt dat niet uit, ik stuur ook altijd iets door dat meer dan drie minuten neemt Maar het is soms even recapituleren door de namen zoals Hen zegt
Een prachtig verhaal. Je schrijft bijzonder goed, als lezer zie ik het voor me. Het was wel af en toe lastig te volgen vanwege de ingewikkelde namen. En de leestijd klopt ook niet

Ik zal zeker nog een vaker verhalen van jou lezen

DawRei - 27-11-2009 16:50
Ik heb nochtans geprobeerd om de ingewikkelde termen in te perken! Die tien minuten vind ik ook nogal lang. Dank je wel!
Mriekje,

ik lees je altijd bijzonder graag en ik lees dit soort onderwerpen bijzonder graag, dus dat is vast een goeie combo. In tegenstelling tot je andere verhalen is dit wat hmmm, laat ik zeggen afstandelijker, misschien door de termen, misschien komt deze hoofdpersoon gewoon wat minder dichtbij, misschien komt het door de kou .
Toch las ik het erg graag, een zeer verdiend uitroepteken

liefs
Feetje

DawRei - 27-11-2009 17:12
Of een combinatie van die drie factoren, en dat ik haar geen dialogen heb gegeven (afgezien van het "spreken" met de geesten) Klopt wat je zegt. Ik weet zelf nog niet helemaal wat ik daarvan vind. Naar mijn gevoel staat Zij Zwijgt ook afstandelijk
DawRei - 27-11-2009 17:13
tegenover haar stam; omdat ze niet kan spreken, omdat ze vanaf haar geboorte anders is. Maar toch - je hebt gelijk. Blij dat je het toch met plezier gelezen hebt!
Zilverfeetje - 27-11-2009 17:18
Nou daarom vind ik het aan de andere kant ook weer mooi, het maakt haar mystieker en geeft het ook een zweem van droeve isolatie mee, zij is de 'alleenste'. Ik vind het absoluut niet storen, je bent als lezer alleen wat meer toeschouwer, waar je normaal
Zilverfeetje - 27-11-2009 17:18
marillierachtiger meeslepender schrijft (zo, steek die maar in je zak )
DawRei - 27-11-2009 17:37
DIEP in mijn zak, en het gaat er nooit meer uit!
Gefeliceteerd met je vuurtoren, je hebt het verdiend!
DawRei - 27-11-2009 17:52
Bedankt!
Ik persoonlijk vond het heel meeslepend. En kippenvel-inducing. En basically, ik was sprakeloos nadat ik klaar was met lezen, maar dat wist je al.

Over de termen: dat zijn er, zoals hierboven gezegd, inderdaad wel veel, maar je brengt ze als schrijfster wel op zo'n natuurlijke manier dat ik er geen problemen mee had ze te lezen, begrijpen en in mij op te nemen.

Heart!

DawRei - 27-11-2009 20:13
<3 !
Heel mooi DawRei. Ik heb het van het begin tot eind uitgelezen en ik besefte zelfs niet dat het 10 minuten was. Hopelijk zal het anderen ook niet afschrikken om dit pareltje te lezen. Ik vind het knap dat je eerst de tijd hebt genomen voor research. Velen beginnen een verhaal zonder dit belangrijke 'detail'. Niet alleen de stijl en inhoud zijn belangrijk, maar ook de achtergrond en dat heb jij goed begrepen. Heel graag gelezen .
DawRei - 28-11-2009 11:41
Dank je wel, Swing! Het is inderdaad iets langer uitgevallen dan ik verwacht had, zeker nu ik het op de verhalensite gepost zie. Ik dacht echt, maar 4 pagina's in Word, dat is kort! Miscalculatie
DawRei - 28-11-2009 11:42
Ik doe trouwens naar de gekste dingen research als ik aan het schrijven ben. Wikipedia is your friend
Weer een prachtverhaal van jouw hand.
De lengte heeft mij niet afgeschrikt. Integendeel, want ik denk dat het in delen knippen het sfeerbeeld in doet boetten. Ik het het vanmorgen al eens gelezen en later nog eens. Het is en blijft een bijzonder en boeiend verhaal. Zeker een uitroepteken waard!
DawRei - 28-11-2009 12:24
Dat denk ik ook, daarom laat ik 't lekker als een geheel staan Bedankt voor 't lezen
Net alsof je een groot verhaal van Juliet Marillier zou nemen en een van de kleine sprookjes eruit zou lezen
DawRei - 28-11-2009 12:57
...ik kan niet anders dan dankbaar zwijgen zodra de naam Marillier valt Thanks a bunch!
Niet echt mijn soort verhaal maar ik moet erkennen dat ik het heel goed geschreven vind. Die rode ! is zeer zeker dik verdient. De letters hadden van mij een maatje groter gemogen, had nu wat moeite met lezen.
DawRei - 28-11-2009 15:48
Op mijn scherm zijn deletters best groot...Maar misschien is dat anders in een andere browser, dat weet ik niet. Bedankt dat je het toch goed geschreven vindt, en voor het lezen!
maarten54 - 28-11-2009 16:19
of speelt de leeftijd een rol? De 'kleine letters' kan mijn zoon goed lezen, ik behoef een bril en voldoende licht!
Vond het een heel mooi verhaal. Ik kreeg er echt het gevoel van dat ik even bij de inuit in de huiskamer zat, om het maar even zo uit te drukken.

Ik moest ook Marillier denken, als je dit tot een boekvertelsel had gemaakt, was het zeker van dat niveau geweest

DawRei - 28-11-2009 17:19
Waw, dank je
Bijzonder verhaal. Erg goed geschreven en erg gaaf hoe je feit en fictie met elkaar hebt verweven. Het deed me een beetje denken aan de verhalen van de bosjesman uit de Anderland reeks, hoewel die inhoudelijk niet echt op jouw verhaal lijken.

Omdat ik het niet kan laten:
- (...) om tegen elkaar te zeggen dit ons mooie land was (...) Ik heb het idee dat hier het woord dat mist, of iets anders. Volgens mij klopt die zin/het zinsdeel niet zoals het er nu staat.
- Maar drie van hen kwamen levend terug. Hier zou ik Maar veranderen in Slechts. Is uiteraard maar een suggestie, maar zoals het er nu staat vind ik niet zo mooi en een beetje verwarrend.
- NEE, NOOIT MEER ZIJ LIJDEN (...) Volgens mij zou een leesteken tussen MEER en ZIJ niet misstaan.

Knap stukje werk. Graag gelezen

(Stiekem vind ik trouwens wel dat die quote van Phil Collins een beetje afdoet aan je verhaal. Ik bedoel, wat doet een stukje tekst van die man bij een (fictief) traditioneel verhaal? Past niet bij elkaar, vind ik.)

DawRei - 29-11-2009 12:11
Dank je wel Ik heb je eerste twee punten gelijk verbeterd. Het ontbrekende leesteken laat ik zo; dat is expres (zowel Sedna als de Angakkug spreken grotendeels zonder leestekens) Phil Collins zingt de vertaling van dat liedje in Inuktitut. Ik vond
DawRei - 29-11-2009 12:11
de tekst er juist wel bij passen
Goed, gelezen dan, want je had natuurlijk heel subtiel verteld dat je weer een verhaal had geschreven

In ieder geval:

Tsja, wat kan ik zeggen? Het is een echt DawRei-sprookje; donker, maar op een functionele manier, berustend, triest op een bepaalde manier en toch ook helemaal niet, er glanst altijd hoop, er is altijd een oplossing, ook als dat niet de vrolijkste is. En uiteraard erg mooi en goed geschreven. Ik vind het altijd leuk om te zien hoe je nooit het donkere uit de weg gaat, zoals je hier doet met het vinden van die opengescheurde kinderlijkjes. Door Disney wil je nog wel eens denken dat alle sprookjes alleen maar mooi en magisch zijn, maar dat is van origine ook niet zo. Het is mooi hoe je dat niet uit de weg gaat.

Wel dit nog:

Ik hoopte dat hij pas ter wereld zou komen in dit land tot rust was gekomen. <-- die zin klopt niet helemaal, denk dat je er ergens nog even 'als' moet toevoegen.

En wat ik niet begreep:

De Angakkuq overlijdt en daarna wordt gezegd dat je hoofdpersoon te jong is om Angakkuq te worden, maar even later is ze het tóch. Dat snap ik niet. Misschien zit de link 'm in wat je achter de zin waarin staat dat ze te jong is schrijft, namelijk dat ze van haar houden, maar dan nog zie ik niet echt meteen waarom ze daarom dan wel Angakkuq zou zijn. Mag toch aannemen dat zo iemand sowieso een geliefde persoon in zo'n dorp is? Maar misschien heb ik ergens over heen gelezen hoor As I said: ik ben de sufheid zelve vandaag

In ieder geval: heel graag gelezen. Je bewijst keer op keer dat je sprookjes kunt schrijven, doet het zelfs makkelijk lijken, maar ik geloof niet dat ik het je ooit na kan doen

DawRei - 29-11-2009 17:00
Senk joe! Ik snap de verwarring rond het Angakkuq-gebeuren; ik zal die zin even aanpassen in het origineel
Een prachtig, meeslepend sprookje. Je weet je voor mij overtuigend te verplaatsen in de inuit: respect en complimenten! Je metaforen zijn ook bijzonder passend en inventief. Hier heb ik van genoten!

Gefeliciteerd ook met je rode rakker!

DawRei - 30-11-2009 12:10
Dank je! Ik heb inderdaad extra mijn best gedaan op de metaforen
Het enige wat ik erop aan kan merken, zijn de punten die Shekinah al genoemd heeft.

Voor de rest is het een heel mooi, rustig, spiritueel verhaal. De dromerige schrijfstijl past er precies bij en versterkt ook dat beeld. Het flowt bijna als een soort van meditatie. Alsof je als lezer zelf in die meditatieve droomstand wordt gebracht, net als de hoofdpersoon.

Het is intrigerend. Aan de ene kant verlang je naar meer, aan de andere kant is het genoeg. Meer verklaring is er niet nodig.
Graag gelezen.
Groet,

Yale

DawRei - 01-12-2009 19:46
Dank je, sweetie!
Al veel opmerkingen, waaraan ik nog even toe wil voegen dat ik het bijzonder vind dat je een zo 'onbekende' mythologie hebt genomen om je verhaal op te baseren. Ik ben geen kenner, maar ik had het wel leuk gevonden als je wat meer verteld had over Sedna en hoe ze aan haar afgehakte vingers komt. Erg mooi geschreven, de lengte was mij ook geen probleem!

En gecelifiteerd met je salami

DawRei - 03-12-2009 15:08
Heb je wel een punt. Dat is al een verhaal opzich, vandaar dat ik er uiteindelijk voor heb gekozen om dat er niet bij te schrijven. Misschien nog eens iets voor een ander verhaal
Prachtig, Dawrei. Op een zeer fantasierijke manier heb je een Inuitverhaal neergezet. Ik weet er wel iets van, maar niet veel. Mijn onwetendheid stoorde geenszins bij het lezen. Dat betekent dat de schrijfster erin slaagde om een boeiend verhaal neer te zetten.

Punt van kritiek. Je vertelt zoveel in een kort tijdsbestek dat het wat vluchtig wordt. Dat is zonde van zo'n prachtig verhaal. Dit sprookje verdient een ruimer jasje. Met jouw woordgebruik krijg je het wel voor elkaar om het boeiend te houden

Tnx voor dit verhaal.

Groet,
Penthesilea

DawRei - 13-01-2010 23:53
Misschien werk ik het nog uit t.z.t Bedankt, Penthe!
Gefelicteerd met je !

Hij was wel een beetje lang. Maar erg
goed geschreven.

DawRei - 22-01-2010 16:35
Dank je wel, IkHouVanSokjes

Tot onze grote spijt is anoniem reageren niet meer mogelijk (te veel spam en te veel misbruik).



Dit werk is ingezonden op http://www.verhalensite.com en blijft te allen tijde eigendom van de feitelijke auteur van het werk (of de verhalensite zolang de auteur niet kan teruggevonden worden). Zonder toestemming van de feitelijke auteur mag dit werk niet gebruikt worden voor andere doeleinden dan lezen. De verhalensite zal nooit toestemming geven indien de auteur niet teruggevonden kan worden. Mocht er sprake zijn van misbruik van de inhoud van het gepubliceerde werk op welke manier ook zullen er (in samenspraak met de auteur) stappen ondernomen worden.