Karel was kaal. Hij vond het heerlijk, om de wind over zijn hoofdhuid te kunnen voelen als hij fietste en het bespaarde hem ’s morgens ook veel tijd. Hij hoefde namelijk geen haar te wassen, geen lange staart af te drogen, of te kammen, laat staan de haartjes uit een vieze, gebruikte kam te plukken. Karel was blij met zijn kale knikker, maar er was één probleem. Karel wilde graag kapper worden, maar niemand geloofde dat hij kon knippen.
“Jij hebt zelf geeneens haren. Hoe wil je die van mij dan goed in model kunnen brengen?” Of, “Nou, ik zie hoe je jouw eigen hoofd hebt aangepakt, mij niet gezien, bedankt,” kreeg hij vaak te horen en dat stelde hem enorm teleur.
Karel was al een poosje gestopt met proberen om mensen te vinden, die door hem geknipt wilde worden, toen hij op het idee kwam om een pruik te kopen. Dat deed hij.
De pruik jeukte enorm op Karel's kale hoofd, maar dat kon hem niet zoveel schelen. Dan maar krabben, vond hij en hij ging onderweg naar de kapperszaak in het dorp, om te solliciteren.
De hele weg krabde hij aan zijn hoofd. Hij krabde zó veel, dat toen hij bij de kapperszaak aankwam zijn hele hoofd rood was geworden en de pruik er niet meer uitzag. Hij viel meteen door de mand en de kapper stuurde hem weg. “Ga eerst maar eens oefenen, met je rare vermomming,” riep hij Karel na.
Oefenen, dát was het. Hij moest oefenen, zodat hij daarna aan iedereen kon laten zien dat hij wel kon knippen. Maar op wie? Op wie moest Karel gaan oefenen?
Plotseling schoot het hem te binnen; Pedro, de kat van de buren! Die had best lange haren, dus daar kon wel een stukje vanaf.
Karel ging naar de supermarkt, kocht een bakje kattensnoepjes en ging vervolgens thuisgekomen, in de achtertuin staan.
“Pedro…” klonk Karel bijna zingend, “Pedro?” en ondertussen rammelende hij met het snoepbakje. Niets. Er was géén kat te bekennen.
Karel wilde net de hoop opgeven en teruggaan naar binnen, toen hij zachtjes een belletje hoorde rinkelen. Hij draaide zich om, maar zag niets, geen Pedro. Karel liet teleurgesteld zijn kin zakken, maar weer klonk het belletje. Hij keek op en nog eens goed om zich heen, hoorde het gerinkel opnieuw en zag toen dat de Pedro bovenop het tuinhek zat. Hij glimlachte en opende het bakje met snoepjes.
“Hier, Pedro, kom dan…” riep Karel. Pedro klom voorzichtig van het tuinhek en volgde hem naar binnen, waar hij op de keukentafel ging zitten.
“Zo,” zei Karel. “Waar kan ik u mee van dienst zijn meneer? Knippen, scheren, of allebei?”
Pedro miauwde niet. Hij keek alleen een beetje sip omhoog, naar Karel.
“Oh, natuurlijk,” riep Karel. “Sorry, ik was de snoepjes even vergeten.” Hij gaf Pedro een handje vol en terwijl hij begon te smikkelen, zocht Karel zijn kappersspullen bij elkaar.
“Ik weet het, ik ben zelf kaal,” zei Karel verontschuldigend, terwijl hij in een kastje rommelde, “maar ik kan het echt!”
Pedro was nog steeds aan het eten. Het interesseerde hem niet, dat Karel kaal was.
Karel knipte de puntjes van Pedro bij en verfde een paar plukjes haar lichtblond en precies op het moment dat Pedro er genoeg van kreeg, was hij klaar. Tevreden keek hij naar het resultaat. 'Coupe Karel' noemde hij zijn creatie. Pedro gaf hem dankbaar een paar kopjes en sjokte weer weg, naar zijn baasje.
Het werkte! Karel had zijn eerste klant geknipt, zonder ook maar één klacht te ontvangen. Karel kon knippen!
Verheugd begon Karel vanaf dat moment rondjes te lopen door de buurt, elke keer een andere kat mee naar zijn keukentje lokkend en na ongeveer twee weken liepen alle katten rond met een 'Coupe Karel'.
Omdat Karel honden een beetje eng vond, wilde hij die niet knippen en hij was klaar met de katten. Zodoende besloot hij om in de weilanden rondom het dorp op zoek te gaan naar nieuwe klanten en niet veel later waren ook alle schapen, koeien, geiten en kippen uit de omgeving door Karel geknipt en geverfd.
Het viel iedereen intussen op dat de dieren met mooiere kapsels rondliepen dan de meeste mensen, maar niemand wist hoe dat kon. Er werd een oproep geplaatst in de krant, een radiospotje opgenomen en uiteindelijk vroeg zelfs de burgemeester op de televisie, of de geheimzinnige dierenkapper zichzelf bekend wilde maken.
Karel bedacht dat hij nu wel bewezen had dat hij kon knippen en de volgende dag belde hij naar het gemeentehuis, om een afspraak te maken met de burgemeester. Hij kon diezelfde middag nog langskomen en hij nam meteen zijn knipspullen mee, misschien wilde de burgemeester wel een demonstratie, dacht hij.
De burgemeester nam Karel in de eerste instantie ook helemaal niet serieus.
“Kale mensen kunnen nu eenmaal niet knippen, zo simpel is dat,” zei hij streng. Karel werd er boos van, maar voordat hij iets kon zeggen, ging de burgemeester verder.
“Je krijgt één kans om je te bewijzen, één kans. Ik heb speciaal uit Egypte een kat over laten vliegen, eentje die nog niet onderhanden is genomen.”
Karel werd nerveus van de boze toon van de burgemeester, maar liet dat niet merken, toen hij zijn scharen, kammen en borsteltjes uit begon te stallen. De kat werd gebracht.
Het was een dikke, rode kater en Karel wist inmiddels dat het absoluut niet meeviel om een goede 'Coupe Karel' aan te brengen op rood haar. De verf bleef amper zitten en soms moest het wel vier keer opnieuw gedaan worden. Gelukkig, zo had Karel ook geleerd, bleven dikke katten wel beter stilzitten. En ook al duurde het lang, de Egyptische kater had uiteindelijk één van de mooiste 'Coupe Karel's' ooit gemaakt. De burgemeester klapte in zijn handen van blijdschap.
“Jij bent het! Je bent het echt,” riep hij.
“Ja, had ik toch gezegd,” antwoordde Karel.
“Zo'n goeie kapper, in ons dorp,” zei de burgemeester, “dat is werkelijk geweldig. Hoe komt het in hemelsnaam dat een talent zoals jij geen eigen kapperszaak heeft?”
Karel legde uit hoe niemand in hem geloofd had en hoe hij toen besloot om op de dieren te gaan oefenen. De burgemeester begon zich een beetje te schamen.
“Weet je wat,” onderbrak hij Karel, “jij krijgt je eigen kapperszaak van mij.”
Karel glimlachte breeduit, “echt waar?” vroeg hij verheugd.
“Echt waar,” zei de burgemeester en hij loog niet.
Karel had zijn eigen winkel gekregen, waar hij met grote letters 'Karel's Kapperszaak' op het raam had laten aanbrengen. Iedereen kende hem, vanwege de vele aandacht die aan zijn dieren-geknip was besteed en daardoor had hij het vanaf de openingsdag al enorm druk.
Hij had zoveel klanten, dat hij amper tijd had om pauze te nemen, maar dat vond hij nog niet eens het ergste. Nee, Karel vond het nog veel erger dat de mensen die hij nu knipte, de hele tijd zaten te kletsen! Dat was hij helemaal niet gewend en hij vond het ook helemaal niet leuk. Karel werd al snel gek van al het gepraat en hij had het alleen nog maar naar zijn zin, als de klanten een van hun dieren meenamen, om bijgeknipt te laten worden.
Tot op een dag, de dorpskapper die Karel nooit had willen aannemen Karel's kapperszaak kwam binnengewandeld.
“Zou je... zou je mij misschien ook willen knippen?” vroeg de kapper voorzichtig aan Karel.
“Natuurlijk,” antwoordde Karel meteen, “waarom doe je zo sip?” Karel wilde eigenlijk vragen, waarom de kapper bij hém langs kwam, hij was tenslotte zelf kapper, maar toen bedacht Karel, dat het niet te doen is om jezelf goed te knippen. Karel bedacht ook, dat hij zelf wel weer eens naar de kapper moest, maar dat was van later zorg.
“Ik heb helemaal geen klanten meer. Iedereen komt bij jou langs, omdat ze je op televisie hebben gezien,” jammerde de kapper.
Daar had Karel helemaal niet aan gedacht, maar terwijl hij de puntjes van de kapper begon bij te knippen, kwam hij op een idee.
“Weet je wat,” zei hij. “Ik vind het helemaal niet zo leuk, dat knippen van mensen. Ze praten mij te veel.”
“Meen je dat?” vroeg de kapper, “ daar heb ik helemaal geen last van” en hij haalde zijn schouders op.
“We zouden misschien…” ging Karel verder, “we zouden misschien samen een kapperszaak kunnen beginnen. Dan knip jij de mensen en ik hun dieren.”
“Wel verrek, inderdaad, als dat geen goed idee is...” De kapper kwam van enthousiasme overeind, maar Karel duwde hem zachtjes weer terug in de stoel.
“Blijven zitten, ik ben nog niet klaar,” zei Karel, op gespeelde strenge toon.
De kapper begon te lachen, “wijsneus!” en Karel grinnikte mee, “stil nou!”