‘Kom nou!’ fluisterde ze, haar stem klonk gespannen maar toch ook weer een beetje opgewonden. ‘Schiet nou op!’
Twijfelend zat ik op mijn bed en keek ik om mij heen. Hoe ik hier precies terecht gekomen was kon ik mij niet eens herinneren. Ik was omgeven door witte muren en mijn kamer had slechts één getralied raam. Het bed was het enige wat er in mijn kamer stond, het was van mij, van mij en van niemand anders. Hier was ik veilig, voor als ze kwamen. Ze jaagden mij angst aan, daar deden ze het immers voor. Met hun gegniffel in de nacht, hun gekras tegen de muren, hun geniepige gefluister en hun lichtgevende kraaloogjes. Maar mijn kamer was geïsoleerd en daar konden ze nooit in komen.
Dralend ontweek ik haar blik. Zou ik het zeggen? Zou ik het eerlijk zeggen, dat ik liever hier wilde blijven?
Voor ik echter iets kon zeggen sloeg ze me met haar vlakke hand in mijn gezicht. Het was niet de eerste keer, dat deed ze wel eens vaker als ik niet sneller toegaf. Floor hield niet van getwijfel of iets wat in haar ogen niet klopte en dat liet ze ook altijd duidelijk merken. Nog voor ik ‘au’ kon roepen greep ze mijn pols en trok ze me van mijn bed.
‘Schiet nou toch eens op,’ zei ze geïrriteerd.
Ik wist wat ze had gedaan. We hadden het al meerdere keren besproken in de gezamenlijke vertrekken maar ik had eigenlijk aangenomen dat het bij praatjes zouden blijven. Op dinsdag avond, wanneer iedereen al te bed lag, kwam zij altijd terug van haar sessie bij dokter Broos. Irma, één van de nachtbewaarders bracht haar dan altijd na de sessie netjes terug naar haar kamer. Irma stelde niet veel voor en het was nu dus wel een feit dat ze niet moeilijk te overmeesteren was. Floor had haar buitenwesten geslagen, haar in haar bed gelegd, de dekens over haar heen getrokken, haar sleutelbos gepakt en haar opgesloten. Tenminste zo luidde het plan waarvan ik nooit verwacht had dat het uitgevoerd zou worden.
Mijn hart klopte in mijn keel, de zon was al onder en ik was al in geen jaren buiten mijn kamer geweest na zonsondergang. Wat als ze me zagen? Ze waren daarbuiten in de hallen! Daar wachtten ze op mij!
Floor stak haar hoofd de hal in en tuurde de lange gang door.
‘De kust is veilig,’ fluisterde ze en trok me mee achter zich aan.
Het was allemaal mijn idee geweest en vurig wenste ik dat ik mijn mond had gehouden want nu had ze het plan voltrokken en was ik er ook in verzeild geraakt. Met knikkende knieën volgde ik haar door de witte gangen. We kwamen langs de deuren van onze metgezellen, het meisje dat geobsedeerd was door frambozen, het meisje dat de wereld als naaktstrand beschouwde, de jongen die zichzelf een wolf waande, de jongen die dacht dat hij kon praten met zijn muze, het meisje dat in haar eigen verzonnen taal sprak, de jongen die een zwak had voor kangoeroes en dan waren er nog wat anderen.
Hoe verder we kwamen hoe meer de geur van vrijheid zich meester van mij maakte. Ik keek nog wel angstig om me heen, maar ik zag ze nergens. Misschien hadden ze vandaag wel een vrije dag! Mijn knikkende knieën vermanden zich en al snel voelde ik mij stoer en machtig. We kwamen aan het eind van de hal en voorzichtig gluurde Floor om de hoek.
‘De kust is veilig,’ fluisterde ze en draaide zich om waarna ze me aankeek en de zelfverzekerde glimlach op mijn gezicht las.
Onmiddellijk liet ze mijn pols los die ze al die tijd krampachtig beet had gehad.
‘Waar was je nou?’ fluisterde ze opgelucht. ‘Die bangerik had bijna roet in het eten gegooid.’
‘Zeur niet zo mens,’ antwoordde mijn andere ik.
Op mijn beurt greep ik haar pols en dit keer trok ik haar achter mij aan. We renden door de gangen hoewel het eigenlijk meer wat van huppelen weg had. We waren er bijna! Nog even en we zouden vrij zijn!
Plotseling hoorde ik iets, voetstappen. Abrupt kwamen we tot stiltand en in paniek keek ik om me heen maar de hal had geen bomen of struiken waar we ons achter konden verstoppen.
‘Wat nu?’ piepte ik niet wetende of het Tony, een andere nachtbewaarder, was of dat zij het waren.
Mijn andere ik verdween en mijn knieën begonnen weer te knikken.
‘Nee! Blijf hier!’ commandeerde Floor op fluistertoon en sloeg me weer in mijn gezicht maar het was al te laat.
Daar rende er één. Ze waren zo snel als muizen en verborgen zich in de schaduwen.
‘Z-ze z-zijn h-hier,’ piepte ik.
Opnieuw haalde ze uit en sterretjes dwarrelden voor mijn ogen.
‘Wat doen jullie hier!’ bulderde een stem.
Van schrik sprongen we op en draaiden we ons om. Het was Tony.
‘T-Tony, z-ze z-zijn hier,’ bibberde ik.
Floor keek van mij naar Tony, knikte hevig, sprong toen zonder te aarzelen naar voren en gilde. Opnieuw sprong ik op van de schrik en Tony deinsde achteruit. Floor haalde uit met de sleutelbos maar hij voorzag haar aanval, pakte haar arm en nam haar in één of andere professionele greep.
‘Help!’ riep ze. ‘Help me dan!’
Ineens borrelde er een nieuwe ik in mij naar boven en voor ik er erg in had zat ik achter op Tony’s rug. Ik sloeg mijn armen om zijn nek, proberend hem te wurgen maar toen ik in de gaten kreeg dat dat niet werkte beet ik hem in zijn oorschelp en scheurde ik er een stuk af. Hij verloor zijn grip op Floor die zich onmiddellijk lostrok en zonder te aarzelen sloeg ze hem met de sleutelbos tegen zijn hoofd. Met een klap sloeg hij tegen de grond waar hij bewusteloos bleef liggen. Ik kauwde nog wat op zijn oor maar voor ik de kans kreeg om het door te slikken trok Floor me alweer mee.
‘Kom mee,’ lachte ze. ‘We zijn er bijna.’
Een grijns verscheen op mijn gezicht toen de buitendeuren steeds dichterbij kwamen. Ik hoorde de sleutelbos rammelen onder het rennen, we waren er bijna, ze had gelijk. Maar toen gebeurde het, daar waren ze! Ik zag hun lichtgevende ogen vanuit de schaduwen. Dapper sloot ik mijn ogen en liet ik me meetrekken door Floor.
‘We zijn er!’ hijgde ze.
Voor de deuren kwam ze tot stilstand, ik kwam echter tot stilstand doordat ik er tegenaan knalde. Twijfelend opende ik mijn ogen en wreef ik over mijn zere knie die ik tegen de deur had gestoten. Ze greep de klink maar hij zat op slot.
‘Daar zijn ze!’ riep een stem achter me.
Geschrokken draaide ik me om en zag ik dat Rein, Leon en een bevrijde Irma de gang in kwamen gestormd. Irma knielde neer bij Tony terwijl Rein op een knop in de muur drukte die het alarm deed af gaan.
‘Snel!’ piepte ik tegen Floor.
De sleutelbos trilde in haar handen terwijl ze naar de juiste sleutel zocht. Maar elke sleutel die ze probeerde paste niet.
‘Sneller!’ riep ik in paniek toen ik zag dat Rein en Leon op ons afgestormd kwamen. ‘Ik wil niet weer twee maanden shocktherapie!’
‘Hou je snavel!’ snauwde Floor en gaf me weer een rechtse op mijn kaak.
In paniek zag ik Rein en Leon steeds dichterbij komen.
‘Stop! Blijf staan!’ schreeuwde Rein.
Maar op dat moment schoof Floor de laatste sleutel van de bos in het slot en tot mijn opluchting draaide hij rond.
‘We hebben het gehaald!’ hijgde ik opgelucht en keek haar in haar stralende ogen. Ze opende de deur en stapte door de opening maar voor ik haar kon volgen werd ik overvallen door een fel wit licht dat naar binnen viel en mij verblindde.
Ik voelde een nieuwe ikpersoon in mezelf naar boven komen gevolgd door een kloppende pijn in mijn hoofd. Ik opende mijn ogen en zag hoe twee identieke mensen langzaam samensmolten tot één persoon.
‘Hoe gaat het?’ zei een dame in een wit uniform.
Geschrokken greep ik naar mijn polsen, maar ik was niet vastgebonden. Ik lag op een bed in een kamer met witte muren. Alleen was het niet mijn kamer. Daar was het niet leeg genoeg voor.
‘Waar ben ik?’ bibberde ik.
‘U heeft een ongeluk gehad meneer, u bent nu in het ziekenhuis.’
Verward wreef ik over mijn hoofd toen er plotseling op de deur geklopt werd. Ik keek op en zag Rein, Leon, Irma en Tony in de deur opening staan.
Bang deinsde ik achteruit waardoor ik bijna van mijn bed viel.
‘Rustig maar,’ zei de verpleegster kalmerend. ‘Deze mensen zijn getuigen van het ongeluk. Ze hebben alles gezien en hebben de politie en de ambulance gebeld.’
Vriendelijk en bezorgd kwam het viertal naar mijn bed en op dat moment flitsten er nieuwe beelden door mijn hoofd.
Ik zat in mijn auto te wachten voor een stoplicht. Het licht sprong op groen en langzaam trok ik op. Een meisje op een fiets stak evenwijdig aan mij over toen er plotseling een auto uit het niets opdook en haar schepte. Ze vloog over de auto heen en voor ik goed en wel besefte wat er gebeurde ramde zijn wagen de mijne.
Dat was alles wat ik mij kon herinneren.
‘Floor…’ mompelde ik zodanig dat niemand mij kon verstaan.
Ik keek op uit mijn gedachte en staarde de verpleegster doordringend aan.
‘Er was een meisje! Toch?’
Ze knikte kalm.
‘Waar is ze?’
De verpleegster slikte even.
‘Zij is zojuist overleden.’